Carnaval en de vastenperiode    

 

De oorsprong van carnaval, het woord is afgeleid van het latijnse 'carne levare' wat 'wegnemen van vlees' betekent, kan gezocht worden in de godsdienstige gebruiken in de oudheid. Dit hangt vooral in landbouwstreken samen met de vreugde die ontstaat rond het terugkeren van de zon na een lange winterperiode van intens sociaal leven.

Het masker werd daarbij gebruikt als middel om boze geesten te verjagen. In de middeleeuwen werden deze feesten in tamelijk ruwe vormgeving gehandhaafd, terwijl de oorspronkelijke betekenis verloren ging onder invloed van het christendom, dat de nadruk legde op het toelaten van een laatste uitspatting voor het begin van de vasten. 

In de 19de en 20ste eeuw was er opnieuw een sterke herleving, waarbij het commerciŽle element bij de organisatie van stoeten belangrijker werd dan de spontane manifestatie van volkse feestvreugde. Normaal valt de carnavalstijd de drie dagen voor Aswoensdag. Tegenwoordig durft men carnaval gedurende de hele vastenperiode vieren. De avond voor Aswoensdag noemt men vastenavond. De naam 'vastenavond' is echter niet afgeleid van 'vasten', maar wel van het Middelnederlandse woord 'faseln' dat 'bedrijven, volbrengen, vruchtbaarheid opwekken' betekent. In feite was de vastentijd oorspronkelijk een vruchtbaarheidsfeest. In onze streken vind je tal van feestelijkheden en gebruiken terug, grotendeels omdat ze commercieel interessant zijn.

Zo kent men in WalloniŽ het gebruik om op 'vette zondag' (de zondag voorafgaande aan de vastenperiode) brood uit te delen en te eten, vooral dan het verloren brood (pain perdu) wat oud brood of beschuit, geweekt in melk met eieren en gebakken in de oven of in de pan, soms rijkelijk bestrooid met bruine suiker. 

Carnaval brengt ons dus het verloren brood terug op tafel. Vastenavond was in Vlaanderen ooit de bakavond bij uitstek. "Ze heeft het zo druk als een pan op vastenavond" zei men vroeger van iemand die het bijzonder druk had. Iedereen, van hoog tot laag vierde dit feest. Bij de burger vierde men dit feest vooral in familiekring, vooral met het bakken van pannenkoeken en wafels. Er werden ook spekkoeken en kruidenkoeken met molsla en reinevaart (boerenwormkruid) bereid. In Limburg bakte men oliekoeken, smoutebollen, warme wei en boekweitkoeken. Men stak een nieuw vat bier aan, de boer en boerin aten samen met de knechten en meiden hesp, varkenskoteletten en worsten. Ze aten hun buik vol om het 'veertig dagen te kunnen uithouden'. Ook niet te vergeten is de sterk ter discussie staande en spectaculaire krakelingenworp in Geeraardsbergen. Een stoet begeeft zich naar het heiligdom van O.L. Vrouwop- de-Berg, gelegen op de 'Oudenberg'. Na het gebed wordt de erewijn, wijn met kleine visjes erin, gedronken door de geestelijken en notabelen. Daarna worden manden krakelingenbroodjes over het volk uitgestrooid. 's Avonds besluit men het feest met het aansteken van een strokasteel waarin een pektonnetje werd opgehangen. Die tonnekensbrand werd nog tot 1960 beantwoord door vuren in de nabij gelegen dorpen. De eerste meldingen van dit gebeuren dateren reeds van in 1398. Alle visjes ten spijt, kan je de vraag stellen of het wel verantwoord is deze eeuwenoude folklore teloor te laten gaan uit respect voor de visjesÖ

Bron: K.U. Leuven

Terug                                                                                     Terug