Kraaien   

 

Zeg niet altijd: het is een kraai!

In deze donkere maanden zie en hoor je ze overal. Het is een plezier om 's morgens bij het ochtendgloren en 's avonds bij schemering hun vlucht te aanschouwen. Ganse horden krijsende zwarte vogels, die wij vaak ten onrechte als allemaal kraaien benoemen, vullen het luchtruim. 

Een goede waarnemer zal zeker ontdekken dat zij een gemeenschappelijke slaapplaats opzoeken voor de nacht en dat zij die 's anderendaags weer met groot gekrijs verlaten om in kleinere groepjes op zoek te gaan naar voedsel op het open veld of in de door de koeien verlaten weiden.

Wij zeggen wel dat de kraaien krijsen, maar wisten jullie dat de kraaien gerangschikt worden onder de zangvogels?

Tevens kan een goede toeschouwer merken dat zij verschillen in grootte of gekrijs of in vliegwijze. Daarom in dit overzicht enkele veel voorkomende soorten.

De zwarte kraai:

Zij nestelt in de zomer in de bomen en maakt een groot nest, niet zo mooi afgewerkt als dit van de ekster, die hogere boomsoorten opzoekt.

Zij is een alleseter: zowel plantaardig als dierlijk aas staat op haar menu.

Haar typisch geluid: kraak, kraak, kraak.

De kauw:

Zij vormen de grootste zwermen in de lucht. Het is de kleinste kraaiachtige en lijkt in zijn vlucht een beetje op een zwarte duif.

Deze vogel bouwt zijn nest in nissen en schoorstenen.

Het geluid is heel goed te herkennen: tjeck, tjeck, tsjeck.

De raaf:

De raaf is veel groter en vormt in onze contreien een beetje de uitzondering. Vroeger werd de raaf beschouwd als 'brenger van ongeluk'.

Vandaar misschien nog steeds de uitdrukking: al brengen de kraaien het uit ...

Haar typische roep is een heel diepe: krou, krou, krou.

De roek:

De roek lijkt op de zwarte kraai maar heeft geen haren rond de snavel. Komt minder voor in landbouwgebied maar meer in druk bewoonde centra.

Zijn roep klinkt: kaa, kaa, kaa.

       Roger                                                          Terug